OOM WILLEM VERTELT [Uit: "een klootzak is ook een mens"]

Amsterdam, einde jaren zeventig twintigste eeuw, het is een gewone zaterdagavond zoals er zo vele waren geweest, en er nog wellicht ontelbare zouden komen, de stad begint zich in het duister te hullen, en velen spoeden zich naar het centrum, waar de neonreclames en knus ogende restaurants reeds staan te wachten om ze naar binnen te lokken, als vliegen naar de stront. Eén van die velen is een lange, schichtig om zich heen kijkende figuur, die met snelle tred door de Damstraat loopt, in deze figuur zullen wij al snel de persoon van Wim de Leeuw herkennen, die een afspraak heeft in een bar op één van de grachtjes die eraan grenzen, zoeken en afspraken zijn beiden niet bepaald sterke punten van hem, maar hij zet door ditmaal, want zijn gevoel zegt hem dat er iets te gebeuren staat dat onafwendbaar is, en even later, alsof hij er naartoe wordt getrokken, omsluit zijn klamme hand de deurknop van de bar waar hij moet zijn, er klinken vertrouwde klanken door het glas, en erachter ziet hij personen zitten, die hij nooit eerder in Amsterdam was tegengekomen, maar terstond tot zijn vrienden rekent. Hij stapt bloednerveus en onzeker naar binnen en is terug in de tijd van nozems en pettycoats...

Om te begrijpen hoe het allemaal is gekomen, voordat de held van ons verhaal tot deze belangrijke stap kwam, gaan we echt even terug naar die tijd, toen Wim nog Wimpje was en nog maar net op z`n pootjes kon staan. IK ZAL NU MAAR VERDER "IK" ZEGGEN, WANT IK SCHRIJF HET, DUS IK BEN IK VERDER. Kijken kon ik ook al, en vond mezelf reeds toen een raar ventje, amper drie jaren oud, en besefte nog niet dat er zich een geweldige tijd rondom mij aan de gang was, niet dat er hier zoveel te beleven was hier toendertijd, best saai eigenlijk, en de radio in ons metalen pilastrorek liep ook niet over van de Rock & Roll, maar toch, er was iets, er hing iets in de lucht zou je kunnen zeggen, ik heb het over 1959. We woonden in Badhoevedorp, in een door de nog heersende woningnood op de bovenetage van een zgn. "Duplexwonigaan" de Exterstraat, en ons huis zag er modern uit,met een driehoekige tafel en swingend bankstel op schuine pootjes,artistiek bedrukte gordijnen,enz.

"Nozemgestamp" zei mijn oude heer altijd, als de radio in dat bontgekleurde wandrek tussen Catarina Valente of Pat Boone door soms iets wilders liet horen, maar een kuif zat er nog niet in, dat was ordinair. Ik werd groter en gekker, ik bleef maar naar foto's in het fotomandje bekijken, er was iets met die tijd, iets magisch dat mij bleef trekken. Inmiddels waren wij naar Amstelveen verhuisd begin 60-er jaren, en de twee mensen die mij hadden gemaakt, ook wel ouders genaamd maakten zich zorgen om dat gestaar naar die foto's, alsof ik erin wilde kruipen, terug in de tijd, want die Biettels en Stoons deden mij geen reet, dus werd ome Willem al snel een vreemd jochie op school. Soms hoorde men op de radio weleens een "Nozemliedje" van de jaren vijftig, maar dat was voorbij, en de hippies begonnen de wereld en vooral Amsterdam te besmetten met "love", "piece", en vooral drugs, (het laatste is gebleven) wanhopig zocht ik de schaal af van het radiootje dat nu van mij was, en zat ertegenaan geplakt wanneer er iets "rockerigs" klonk en droomde van een "nozemhemel". Mijn eerste cassetterecordertje schafte ik aan op 13-jarige leeftijd, het ding had een microfoontje, dat ik tegen de luidspreker hield, als er iets op de radio was en ik weet nog goed, op een broeierige zomeravond einde jaren zestig, maakte ik zo mijn eerste opname, "Sixteen tons" van Ernie Ford en liet het horen aan leraren op school en mijn ouders, die het niet begrepen en vreemd vonden, mijn lot als buitenbeentje was voorgoed bezegeld, in de tijd van "soulkickers". Deze jongen begon te spijbelen en zich terug te trekken. Inmiddels zat ik op de Grafische school in Amsterdam, maar vaak zwierf ik door de straten van de stad en keek in de etalages, alles was lelijk en werd steeds lelijker; stofzuigers, broodroosters, onderbroeken, behang, en dan die kleuren, jasses! Oranje, groen, bruin, en het ergste was dat mijn ouders er ook aan mee deden, kurk op de muur, paarse gordijnen, strontbruin tapijt, lampen als poliepen, en er was geen gewone broek te krijgen, ik droeg die debiele troep ook, strak om je bovenbenen, en laag, als ik bukte stond ik bijna in m'n blote reet, een "stratemakersdecolleté", achterlijke wijde pijpen, strakke truitjes met een brede riem erover, overhemden met enorme punten die ook zeer strak zaten, als protest bukte ik vaak in het bijzijn van familie of vrienden, en scheurde zo uit die troep, waarna ik met mijn bleke pukkelkanis lachend onder een vette haarberg zei: "Wat een klotetijd, welke mongool bedenkt al die zooi toch!". Het gestaar naar die oude foto's bleef en mijn verlangen groeide, naar de tijd ervan, "sentimental journey" noemde mijn moeder mij toen vaak, wanneer zij mij verdiept in de foto's aantrof.  

Kolen waren in onbruik geraakt en wij hadden een oliekachel al een aantal jaren, daardoor was het kolenhok - dat een muurtje in een hoek van de box beneden was - leeg en ontdekt door ome Willem. Ik had er een geheime ingang in gemaakt, de eerste tijd zat ik er met twee vriendjes op elkaar gepropt in en maakten zo allerlei plannen, muntjes voor de kauwgomautomaat, die we helemaal leegroofden. Die vriendjes verdwenen allemaal en zaten braaf aan hun huiswerk, eenzaam bleef ik achter met een klein gepikt radiootje en een kaars in het stenen hokkie. Hele dagen bracht ik erin door en vergooide zo mijn toekomst, overal om mij heen als ik door de buurt liep hingen de schooltassen aan de vlaggenmasten en ik had niets, alleen het verleden dát interesseerde mij,..... Je zou kunnen zeggen dat ik een belangrijk deel van mijn jeugd in het kolenhok heb doorgebracht, luisterend naar Veronica en Noordzee, op die laatste werd aangekondigd dat er - op zaterdag meen ik - een R&R-show zou komen elke week om acht uur 's avonds! School was voorbij en ik een mislukkeling en raar jochie die nooit wat zou bereiken in deze wereld, het enige wat mij nog interesseerde en resteerde toen, was de Rock 'n Roll, ik ging werken. Door mijn baantje als verkopertje kon ik een pickup en bandrecorder aanschaffen, en nam dat programma op waar ik het over had, er was slechts één vriend in mijn omgeving waar ik mijn lot mee kon delen, een lelijke bebrilde beatlekop, maar dat maakte niet uit, op onze pas aangeschafte Bennelli-brommers scheurden wij naar de bioscoop, waar "American graffiti" draaide, een film die afspeelt in 1962 en eigenlijk het einde van de R&R-tijd symboliseert, maar ome Willem had het meer te pakken dan ooit en er kwam een plaat uit van deze film, een dubbel elpee, dat was mijn eerste plaat. Net toen ik met een kuif de openbare weg opdurfde in tweedehands bandplooibroeken en spijkerbroeken (we zaten nog steeds in de debiele kledingtijd) werd de helm verplicht en kon ik niet met vet in het haar de nozem uithangen op mijn brommer, dus liep ik vaak trots door de buurt, het commentaar was niet van de lucht, maar ik lachte iedereen uit en was een rots in de branding, laat dat zooitje koeien maar meelopen met de mode, ik was Wimpie de swinger en toch allang de gek uit de buurt en niet te redden! Mijn platencollectie groeide gestaag en de rij banden werd ook langer, vooral toen het programma "De R&R-methode" losbarstte, eerst op woensdagavond en later op vrijdagavond, daarin werd aangekondigd waar een bandje optrad, of een beurs was, mijn ouders sloegen dit bezorgd gade en overwogen psychische hulp of medicijnen, voor mij was rocktherapie het enige om te overleven.

Ik ging bij Fokker werken en kwam na een tijdje terecht bij de controle binnenkomende goederen, het is 1977 en Elvis zou spoedig voor altijd vertrekken, iets dat hij volgens mij in dienst al had moeten doen, sorry dat ik het zeg. Daar werd ik achter een draaibank gezet en maakte zgn. "Trekproeven" van alle binnenkomende materialen, die dan in het lab op sterkte werden getest, maar op die draaibank heb ik mij letterlijk suf gebeunhaasd en maakte o.a. fifties microfoons uit alluminium. Draaien, turnen, Willem, Bill, dát is het! "Bill Turner", een te gekke naam als bijnaam in de Rock-kringen, het schoot mij achter de draaibank te binnen. Inmiddels werd mijn kamertje thuis te klein en "Bill" ging op een kamer in de Bijlmer wonen - onderhand ingeschreven voor een flat in Amstelveen - daar bij die oude gabber in Kikkenstein richtte ik mijn kamer oergezellig in en kocht een Jukebox en een Heinkel scooter, waarmede "Bill" zich - nagestaard door de vele surinamers aldaar - als een echte rocker verplaatste. Ik was al naar enkele Rock-meetings geweest, maar had het gevoel er niet echt bij te horen, waarom wist ik niet, als ik binnenkwam zocht deze jongen eerst het toilet op, en ging zich dan in z'n danspakkie hullen, maar ik bleef het idee houden er een beetje tegenaan te hangen in plaats van er middenin te zitten. Op een keer, in Tilburg meen ik, waar "The Flying Saucers" optraden schoot ome Willem na binnenkomst direct de plee in met een koffertje, hij durfde ditmaal geheel niet rock-achtig over straat en zag er uit als een kantoorpikkie…. Veilig in de plee van zaal "de harmonie" waar zo het feest van de platenboer zou gaan aanvangen, later beter bekend als de "Rockhouse meeting", ging dat rare ventje, wat ik toch ben, zich omkleden en deed vet in het haar, het koffertje met kleding gaf ik af bij de garderobe en liep het zaaltje in dat al aardig vol stroomde me kuiven en pettycoats.

"Héé hallo, ben jij niet die gozer van daarnet, of vergis ik me?", hoorde ik opeens uit een hoek. Ik was ontdekt, door een zekere Gertje en gaf het eerlijk toe. Er was geen weg terug, hij had het hele schouwspel gadegeslagen en zag dat ik geestelijke hulp nodig had, die avond swingden we erop los en ik kreeg het gevoel er nu wat meer "in" te zitten, maar m'n Rockpakkie zat als gegoten. "We hebben een kluppie, met rockers in Amsterdam, kom erbij, je lijkt me een echte bopcat, zo heten we!" zei Gertje, dus ik sprak af, misschien had het leven toch nog zin voor een lange slet. Ik kreeg meteen last van een goed humeur. Voordat ik er echt heenging, vroeg ik mijn moeder nog om advies, maar die zei dat ik een grote jongen was en niet meer aan de borst was en die oude heer had een vergelijkbaar commentaar, zo van; "Je hebt nu haar op je benen, dus ga!" Sufgerockt en gelukkig toog ik naar huis en had de moed opgebracht mij niet om te kleden, er gebeurde niets onderweg naar huis, ik werd niet aangehouden wegens opruiende kleding en de kuif zat gebeiteld…. En nu sta ik daar, in die bar,.... De lauwe bierlucht komt mij tegemoet en van buiten lijkt deze bar net als vele anderen, in die lugubere feesttent genaamd Amsterdam, waar voor een echte Bopcat bitter weinig valt te beleven. Ik bevind mij in het café van Ko en wordt hartelijk onthaald door Gert, die mij voorstelt aan de club, die uit ongeveer twintig personen bestaat, jongens en meisjes. Dit zijn dus de Bopcats en of ik dat nu wil of niet, Willem wordt er ook één, en krijgt al snel de naam "flatfoot", omdat ie maat 48 heeft, en "Bigfeet" bestaat al, in de drukte en rock & roll vergeet ik mijn rocknaam Bill Turner, maar dat geeft niet, ik krijg het gevoel nu echt te leven! Vanuit dat Café gaan wij vaak de stad in, naar optredens van bandjes, het lijkt of de R&R weer helemaal terug is, helaas ook door die film Grease, en wordt een ieder met een kuif meteen gezien als John Travolta, gatver,... Nee, een echte r&r-film, als je het zo kan noemen, is Rebel without a cause, dat geeft enigszins weer hoe ik het zie. De jaren verstreken en de groep barst uit het café, maar geen paniek, er komt een eigen plek, de Cruise-inn, (Die naam komt van een platenserie genaamd Cruisin' , 1955, 1956,enz., een serie originele radioprogramma's uit die jaren) En als een rots in de branding staat het gebouw er nog immer, en de Bopcats, die komen er nog steeds, misschien wel honderden, zonder het te weten,.... want een Amsterdamse rocker is een Bopcat; There are no cats like Bopcats!

Wim "Flatfoot" de Leeuw.

José (webmistress)
The Story of.... Norma
Study Rudy
Tina Trucker Stella Matula The Story of.... Taxi Marcel

top